columns
Wat een moeite kost het mij om in deze tijd de fiets te pakken. Nooit is de geur van pas
gemaaid gras intenser geweest dan nu. Nooit heeft het nieuwe voetbalseizoen mij meer
geprikkeld dan nu. En helaas is het voetbalveld nog nooit verder weggeweest dan nu.
Voor mijn knieoperatie werd mij voorgehouden dat ik na zes maanden wel weer zou kunnen
spelen. Zes maanden werden negen maanden. Negen maanden werden twaalf maanden, en nu bijna
veertien maanden na dato gaat het nog steeds niet. De geest wil wel, maar het lichaam
weigert. En dat doet pijn.
Al veertien maanden kijk ik naar voetbal zonder zelf mee te spelen. Ik heb de promotie naar de tweede klasse vanaf de zijlijn mogen aanschouwen. Uit ervaring kan ik zeggen dat een promotie voelt als een kampioenschap, maar ik voelde afgelopen seizoen niets. Althans niet veel. Tuurlijk was ik wel blij, maar dat ben ik ook als PSV verliest of gelijkspeelt. In het begin van het seizoen stond ik nog iedere zondag langs de lijn, rustig het spel aanschouwend en uitleggend waarom die ene bal niet naar links maar naar rechts had gemoeten. Op een gegeven moment verwatert dat. Je merkt dat het team doorgaat zonder jou en belangrijker, je merkt dat de revalidatie minder goed verloopt dan je had gehoopt. Je verlegt je prioriteiten. Plots wordt Ajax-Willem II een heel interessante wedstrijd om live te bekijken. Terwijl ik voorheen genoegen nam met het kijken van de samenvatting. Elke week met de neus op de feiten worden gedrukt, daar had ik geen zin meer in. Elke week worden geconfronteerd met het feit dat jij daar, op het veld, had kunnen staan. Sleurend, tackelend, scorend. Neen, ik had daar echt geen zin meer in.
Twee maanden geleden heb ik de beslissing genomen om te stoppen met veldvoetbal. Ik heb de trainer gebeld en heb mijn lidmaatschap opgezegd. Niemand anders heb ik het verteld. Ik ben via de achterdeur vetrokken. Stil en rustig, zoals ik veertien maanden langs de lijn stond.
Al veertien maanden kijk ik naar voetbal zonder zelf mee te spelen. Ik heb de promotie naar de tweede klasse vanaf de zijlijn mogen aanschouwen. Uit ervaring kan ik zeggen dat een promotie voelt als een kampioenschap, maar ik voelde afgelopen seizoen niets. Althans niet veel. Tuurlijk was ik wel blij, maar dat ben ik ook als PSV verliest of gelijkspeelt. In het begin van het seizoen stond ik nog iedere zondag langs de lijn, rustig het spel aanschouwend en uitleggend waarom die ene bal niet naar links maar naar rechts had gemoeten. Op een gegeven moment verwatert dat. Je merkt dat het team doorgaat zonder jou en belangrijker, je merkt dat de revalidatie minder goed verloopt dan je had gehoopt. Je verlegt je prioriteiten. Plots wordt Ajax-Willem II een heel interessante wedstrijd om live te bekijken. Terwijl ik voorheen genoegen nam met het kijken van de samenvatting. Elke week met de neus op de feiten worden gedrukt, daar had ik geen zin meer in. Elke week worden geconfronteerd met het feit dat jij daar, op het veld, had kunnen staan. Sleurend, tackelend, scorend. Neen, ik had daar echt geen zin meer in.
Twee maanden geleden heb ik de beslissing genomen om te stoppen met veldvoetbal. Ik heb de trainer gebeld en heb mijn lidmaatschap opgezegd. Niemand anders heb ik het verteld. Ik ben via de achterdeur vetrokken. Stil en rustig, zoals ik veertien maanden langs de lijn stond.
Genieten! Wat zal Geert zeggen op 11 september? En op de zelfde spannende dag het CDA
congres? Gaan ze het met hem doen? Blijven ze strak generaal Maxim volgen? Of vinden ze
bepaalde verworvenheden toch te belangrijk? Wat zal Ab nu eigenlijk echt doen als puntje
bij paaltje komt? Het is echt een fantastische soap! De dilemma’s zijn aangrijpend en
dankzij de geweldige cliffhangers kan je niet wachten tot de volgende dag. De meeste
argumenten om wel of niet voor een akkoord met de PVV te gaan kan ik als kijker ook goed
volgen. Maar soms.
Van de week hoorde ik een prominente CDA’er helder uitleggen waarom het CDA toch door moest met de onderhandelingen. ‘Er hebben zoveel mensen op de PVV gestemd dat zij niet mogen worden genegeerd.’ PARDON? Ok, 15,5% van de kiezers volgt bange Geert. Maar het overgrote deel van de overige partijen wil hier niets mee te maken hebben! Laten we alleen de linkse kerk nemen. Dan hebben we het nog steeds over minimaal 40% van de kiezers. Waar is hun stem?
Een ander argument dat ik fascinerend vind. ‘De kiezer heeft van zich laten spreken. De PVV en VVD hebben gewonnen, dus zij zijn de belangrijke regeerkandidaten.’ Begrijp ik ook deze stelling goed? Is de stem van iemand die van partij wisselt meer waard dan die van iemand die jaren trouw is aan zijn idealen? Moeten we opgejut door schreeuwende TV debatten in de waan van de dag een hokje rood kleuren? Is dat beter dan te stemmen op de partij die jouw visie over het algemeen consistent probeert te vertegenwoordigen? Zo komen we wel tot een succesvol beleid op de lange termijn. Want de winnaar van de verkiezingen bestaat natuurlijk altijd uit de zittende regeringspartijen.
O shit ik moet er vandoor, Goede Partijen, Slechte Partijen begint weer!
There is a sense of urgency in the air, de aanhouder wint.
Ja, want zo is het. Sommige mensen zeggen dat de aanhouder wint, sommige mensen zeggen
dat ik een zondagskind ben. Sommige mensen zeggen dat ik niet in aanmerking kom, sommige
mensen geloven in teksten van Boudewijn de Groot. Sommige mensen geloven.. Ze zei wat een
rare week hee. Ik ben blij dat je er bent.
We schrijven dinsdagochtend, terwijl ik de sleutel in het contact steek om de auto voor te laten gloeien realiseer ik me dat dit een kans uit duizenden is. Kilometers besneeuwd wegdek schieten onder me door, ik ben op een onmogelijke missie, maar voel me strijdbaar. De receptioniste laat me wachten, ik benut de extra tijd voor het aanscherpen van mijn betoog. Ik word opgehaald, de eerste indruk is belangrijk. We drinken koffie, er wordt gelachen. De waarom vragen beantwoord ik met enthousiasme, trommelend op het stuur met Interpol's next exit onderweg naar de next exit. Ik heb een goed gevoel, hier geloof ik in.
De telefoon brandt smiddags in mijn handen. Ze willen me in actie zien, de opdracht in mijn mailbox. Ik bel met de broer die niet mijn broer is. De sense of urgency hangt in de lucht, we sluiten af met het not invented here syndrome. Twee dagen quarantaine, voorbereiding is immers 80% van het eindresultaat.
Vrijdagochtend 10 uur. In de kamer zitten 4 mensen. 1 voor 1 verwerk ik de in kracht verschillende handrukken. Ik ga zitten en besef dat ik dit lot in eigen handen moet nemen. De signalen zijn veelbelovend, geen lijken geen kasten. Betekend het hier zijn een kwalificatie? High hopes.
2 uur van eindeloos wachten voor de boeg. Ik draai wat rond in de huiskamer, probeer een dialoog met een plant. Dan toch eindelijk verschijnt het privenummer in het scherm van mijn telefoon. Op het moment van schrijven weet ik niet goed wat er precies aan de andere kant gezegd wordt en even kom ik los van de grond. Iets met scherp verstand, potentie en leerbaarheid. Of ik volgende week tijd heb om een contract te komen tekenen.
Het WW-spook vervaagt als de sneeuw op mijn balkon voor de zon. Wanneer ik kan beginnen, deze puzzel is compleet. Hierbij wil ik het UWV bedanken voor het onderhouden. Ik vond het niet genant, maar soms wel iets met moed en schoenen.
Natuurlijk is niets wat het lijkt. Tenzij hetgeen daadwerkelijk lijkt op wat het is.
Hoe vaak is dat het geval? Misschien wel vaker dan je denkt. Misschien zou je beter kunnen
zeggen, bijna alles is wat het lijkt. Niets is wat het lijkt, lijkt mij een uitspraak voor
mensen die niet tevreden zijn met hoe het lijkt en zo zichzelf en hun leven toch nog enige
waarde, betekenis en hoop voor de toekomst proberen te geven. Ik heb een hekel aan
uitspraken die nergens op slaan. Het is gewoon zoals het is. Niets is wat het lijkt,
is misschien een manier voor mensen om over dingen dieper na te denken dan ze gewend zijn.
En het is aan die mensen zelf te wijten dat dat nodig is. Want hoe het lijkt, is gewoon een
gevolg van wat wij er zelf van maken, en dan lijkt het misschien anders dan het is.
Maar nog steeds is het gewoon hoe het is, ook al lijkt het anders. Bedenk maar eens hoe
vaak je bij een eerste indruk een bepaald idee of gevoel bij iemand hebt, dat totaal niet
klopt wanneer je degene beter leert kennen. Als je die persoon langer kent, lijkt die echt
nog wel hetzelfde als eerst. Alleen heeft onze eigen fantasie ervoor gezorgd dat iets op
een bepaalde manier lijkt. Toch is het wel fijn soms. Dat niets is wat het lijkt. Als je
droom uiteenspat. Of wanneer je toch een column of zoiets schrijft voor een vriend.
In deze tijden van crisis denken vele mensen aan de economie als we over de dubbele dip
spreken. Ondertussen weet niemand of deze er echt komt en dus wacht iedereen gespannen op
wat er komen gaat. Ik hoop toch niet dat de dubbele dip er ook echt komt, want volgens mij
is het leed dan niet te overzien en hebben we met zijn allen echt nog geen idee wat voor
ellende dit zal gaan opleveren.
Maar goed, ik zal jullie hier verder niet mee vermoeien, ik wil jullie meenemen naar jullie eigen dubbele dip, want daar hebben we allemaal wel eens last van (gehad)… Wie herkent bijvoorbeeld het euvel dat als je verkouden bent, je je net weer wat fitter begint te voelen, totdat de verkoudheid weer keihard terugslaat en het in je holtes is geslopen? De dubbele dip. Of je denkt dat je met je vriendin de woordenwisseling hebt uitgesproken, maar dan zegt ze: je zei toen en toen dat je me altijd zo lekker kunt vastpakken, je vindt me dik he? Het spel is weer op de wagen… De dubbele dip. Of je hebt net een biertje te veel gedronken en denkt in al je (jeugdige) overmoed dat die bli-tea (bacardi limón ice-tea) er ook nog wel bij in kan? Je wordt wakker na een paar uurtjes slaap en denkt wat doet die timmerfabriek in mijn hoofd en waarom lopen die kabouters de marathon in mijn maag… De dubbele dip. Of het moment dat je op je fiets stapt en halverwege er achter komt dat de velg wel erg vaak de grond aan tikt? Je besluit om af te stappen om het eens grondig te gaan bekijken en de hemel opent zich boven je met een stevige stortbui… De dubbele dip.
Het mooie van een (dubbele) dip is dat het daarna (vroeg of laat) altijd weer beter wordt. Mijn favoriete voetbalclub, viert midden jaren ’90 grootse successen met de beste coach van de wereld, Louis van Gaal. Ik dacht dit kan niet meer stuk, ‘wij’ zullen nog tot in de lengte der dagen in de Champions League uitkomen. Niets was minder waar, ‘wij’ werden ‘zij’, want vooral PSV (die boeren uit Eindhoven) wisten in de jaren 2000 successen te vieren met dit miljoenenbal. Ajax wist zich in 2006 voor het laatst te kwalificeren voor de Champions League, helaas struikelden ze in die jaren erna steeds in de kwalificatierondes (tegen achtereenvolgens Kopenhagen en Slavia Praag). Maar nu, na talrijke uitbraken van angstzweet en spierpijn in de bilpartij, is het eindelijk weer zover, Paok en Kiev zijn aan de degen geregen: ‘we’ zijn uit onze dubbele (of vierdubbele) dip gekomen en ‘we’ zitten weer in de Champions League. Met een loting om van te watertanden! Ik zie het al voor me, een vol San Siro: de blessuretijd is ingegaan, met hangen en wurgen heeft de Steek (Stekelenburg voor de voetbalhaters onder ons) zijn verdediging, voor de zoveelste keer dit seizoen, overeind gehouden na een paar schitterende reddingen op schoten van good old Seedorf, Pirlo, Ibrahimovic, Ronaldinho e.a. Milan valt aan met de moed der wanhoop, want ze hebben nog wel wat puntjes nodig voor de volgende ronde. Allegri schreeuwt moord en brand langs de lijn, omdat hij de koppen(snellers) in La Gazetta dello Sport al voor zich ziet. Dan is daar weer een redding van de Steek, de bal komt voor de voeten van die kleine Anita, hij schiet op goed geluk de bal naar voren, want daar loopt ‘ons’ nieuwe koningskoppel Mounir (El Hamdaoui) en Luis (Suarez). Mounir krijgt de bal en tikt de bal met een subtiele voetbeweging door naar Luis, Luis loopt alleen op de keeper af… Abbiati maakt een schijnbeweging naar links en Luis lijkt hem toch over die kant te willen passeren, maar wat doet hij nu: hij stift hem achter zijn standbeen langs over Abbiati. Het vak met Ajax-supporters wordt gek. Allegri buigt zijn hoofd alsof zijn hoofd al op het spreekwoordelijke hakblok ligt. Ajax staat op 0-1 in San Siro! Ajax komt op 7 punten en zou met deze stand 2e worden achter de Koninklijke….
Steeds als ik een baby zie, sla ik op tilt. Mijn eierstokken verliezen controle, en het
lijkt alsof ze weten dat ik baby's heel erg leuk, schattig en lief vind. Gister was het
weer zo ver. Ze sliep. Met haar armpjes omhoog, totaal overgegeven aan de vermoeidheid.
Toen ze wakker werd, was daar weer een "Aaaaaah!" momentje van mij. Ze wreef met haar kleine
handjes in haar ogen. Alsof ze nog niet genoeg geslapen had. Waarschijnlijk niet.
Het enige wat ik wilde was haar vastpakken en haar heel lang aankijken. Ik voelde een band.
Ik voelde een band tussen de 3 maand oude baby en mijzelf.
Zijn het niet de moedergevoelens, dan ben ik het zelf wel. Die kleine, lieve voetjes. Haar blauwe irissen, en haar mooie zwarte haren. Het doet iets met me. Haar geur, de bekende Zwitsal-geur heeft een heel andere wending gekregen. Ik associeer het nu met een heel lief klein wonder. Ik raakte bijna ontroerd toen ze begon te brabbelen. Daar schrok ik van. Het is niet eens mijn eigen kind. Buiten dat, ik ben zelf nog maar een kind.
Zijn het niet de moedergevoelens, dan ben ik het zelf wel. Die kleine, lieve voetjes. Haar blauwe irissen, en haar mooie zwarte haren. Het doet iets met me. Haar geur, de bekende Zwitsal-geur heeft een heel andere wending gekregen. Ik associeer het nu met een heel lief klein wonder. Ik raakte bijna ontroerd toen ze begon te brabbelen. Daar schrok ik van. Het is niet eens mijn eigen kind. Buiten dat, ik ben zelf nog maar een kind.
“Lieve familie, beste vrienden en geachte genodigden,
Columns week 2 Fijn dat jullie de moeite hebben genomen om vandaag hier bijeen te zijn. De familie wil jullie via mij laten weten dat zij jullie steun zeer waardeert. Jullie zijn, net zo min als hij was, geen lafaards. Jullie laten, anders dan het progressieve carcinoom, het rode kankergezwel van onze samenleving, niet alleen van jullie horen wanneer de strijd is beslist in jullie voordeel. Jullie zijn geen laaghartige mensen. Jullie staan niet alleen op de eerste rij wanneer er een prijs te verdelen en eer op te strijken is. Ook wanneer jullie het zwaar hebben, ook wanneer jullie worden tegengewerkt door de grote conservatieve krachten, ook wanneer jullie worden gedemoniseerd door de machtige elite van dit land, blijven jullie vechten voor het behoud van jullie joods-christelijke waarden. Net als hij deed…”
De bovenstaande tekst is de inleiding van mijn column die hier eigenlijk had moeten staan. Die overlijdensspeech had ik zonder aanhalingstekens en zonder een begeleidende tekst willen plaatsen. Maar naarmate ik er langer over na ging denken, kreeg ik twijfels. Ik kreeg ethische bezwaren. Voor mijn gevoel gaat die tekst iets te ver. Het zou niet de eerste keer zijn geweest dat ik dingen zou roepen die ik niet meen. Puur om te provoceren en mensen te dwingen tot reageren. En als het even kan, mensen verleiden tot nadenken. Echter, iemand het graf in schrijven om een politiek statement te maken, is naar mijn smaak moreel verwerpelijk.
De meeste ‘vrijheid van meningsuiting-fundamentalisten’ hebben geen idee wat die vrijheid precies inhoudt. Het klopt dat iemand bij het uiten van zijn mening geen rekening hoeft te houden met de kwetsbaarheid van zijn doelwit of slachtoffer. Moreel bezwaarlijke uitingen zijn niet per definitie strafbaar. Mijn opponenten hoeven tijdens een interessante en hevige discussie geen rekening te houden met mijn gevoeligheid. Zij kunnen tenslotte weinig doen aan het feit dat ik een emotioneel wrak ben. Maar dat de vrijheid van meningsuiting in zou houden dat álles gezegd kan worden, is simpelweg niet waar. In de Grondwet staat namelijk: “Voor het openbaren van gedachten of gevoelens (…) heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan.” En o ja, een detail: “ (...) behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Je mag bijvoorbeeld geen haat zaaien en niet bedreigen. Los van het feit dat het ethisch niet zou getuigen van een goede smaak, houd ik mij aan mijn verantwoordelijkheid volgens de wet door de overlijdensspeech niet te plaatsen.
De eigenlijke reden van de zelfcensuur is dat de advocaten Bart Stapert en Suus Hopman mij hebben laten weten dat zij de komende week niet in Nederland zijn. Daardoor zijn zij niet in staat om mij bij te staan en in de media uit te leggen waarom ik drie dagen in een politiecel heb moeten doorbrengen. Toen dacht ik: laat die column dan maar zitten!
(22-08-2010 t/m 28-08-2010)
Groot nieuws afgelopen weekend: de politie heeft een man in Nijmegen dood geschoten
nadat hij een vestiging van de Lidl had overvallen en een politiehond had neergestoken.
Pardon? Ja, u leest het goed, de politie schoot de man dood(!). Nou dan moet er wel flink
wat aan de hand zijn geweest, was mijn eerste gedachte. Vooralsnog lijkt dat nogal mee te
vallen. De landelijke media hebben meer aandacht voor de hond die de steekpartij heeft
overleefd en het Openbaar Ministerie brengt tot op heden weinig nieuws naar buiten.
Dan maar even naar de lokale media. Omroep Gelderland beluisterend en bekijkend, heeft de
man een Lidl-vestiging overvallen en wat mensen met een mes bedreigd om vervolgens met de
buit weg te rijden. Daaropvolgend heeft de politie een achtervolging ingezet en de man tot
stoppen gemaand. De man stapt uit en loopt met een mes op de politie af. De politie zou op
haar beurt waarschuwingsschoten hebben gelost en een hond op de man hebben afgestuurd.
Hond bijt. Man valt. En eenmaal op de grond, brengt de man de hond enkele messteken toe.
Waarop de politie de man doodschiet.
U hoeft geen strafrechtjurist te zijn om aan te voelen dat de politieagenten in deze situatie niet goed (onrechtmatig) hebben gehandeld. U begrijpt dat de politie niet te snel moet overgaan tot het gebruik van een vuurwapen. Wij, strafrechtjuristen, zeggen dan dat er een soort ultimum remedium-gedachte bestaat. Vuurwapengebruik slechts in die bepaalde situaties waarin anders handelen niet gevergd kan worden. Vuurwapengebruik als laatste redmiddel. Vuurwapengebruik als uitzondering.
En gegeven de onomkeerbaarheid van de kogel, zal het u niet verbazen dat de wet deze ultimum remedium-gedachte heeft verankerd en het vuurwapengebruik heeft begrensd. Het vuurwapengebruik is slechts geoorloofd indien de verdachte zich tracht te onttrekken aan zijn aanhouding en er sprake is van een verdenking van een ernstig misdrijf (lees: 4 jaar gevangenisstraf of meer). Eveneens (cumulatief vereiste!) moet het misdrijf een ernstige aantasting vormen van de lichamelijke integriteit (bv. gewapende overval) dan wel de persoonlijke levenssfeer (bv. inbraak bewoonde woning). Ook bij zelfverdediging (in de juridische wereld: noodweer) is het vuurwapengebruik geoorloofd.
Wanneer de politie zijn vuurwapen gebruikt, altijd gelden de beginselen van subisidiariteit en proportionaliteit. Het komt erop neer dat de politie met het lichtste middel dient in te grijpen (subsidiariteit) en dat het gebruik van dit middel in verhouding dient te staan tot het doel (proportionaliteit). Bij het eerste kunt u zich vast wel wat voorstellen. Heb je de keuze tussen pepperspray en een vuurwapen, dan moet je voor het lichtere middel, de pepperspray, kiezen. Het beginsel van proportionaliteit is daarentegen wellicht iets lastiger. Ik noem het schoolvoorbeeld ter verduidelijking: een oude man met jicht, zittend in zijn tuinstoel, uitkijkend over zijn boomgaard, mag niet zijn jachtgeweer aanwenden als pubers een appel uit de boom stelen. Het leven van die pubers weegt nu eenmaal zwaarder dan het verlies van die ene appel.
Subsidiariteit en proportionaliteit dus. Nogmaals even terug naar de bewuste middag. De man ligt op de grond. Hij is druk bezig om de hond te steken. Hij heeft weliswaar een mes, maar is niet bewapend met een vuurwapen. De afstand tot de politieagenten is 5 tot 10 meter. Konden ze niet op de man aflopen? Kon er geen pepperspray worden gebruikt? Dat moet van een meter afstand. Konden er niet enkele stappen gezet worden om vervolgens de pepperspray te gebruiken? Wellicht. Maar stel dat dit allemaal niet kon. Stel dat het vuurwapengebruik echt als laatste redmiddel gezien dient te worden, iets wat ik toch bestrijd. Maar stel. Waarom is er niet in zijn been geschoten? Of althans in een niet-vitaal gedeelte? En wat te denken van de proportionaliteit. Is het leven van de man niet meer waard dan het leven van de politiehond? Ik meen dat de politie te ver is gegaan en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld.
De politiebond denkt daar anders over. De man ‘schijnt buitengewoon agressief geweest te zijn en als zo’n iemand gaat opstaan met een mes, of aan het zwaaien is met zo’n mes, kan het ongelooflijk gevaar opleveren’, aldus een woordvoerder van de politiebond. Een prachtige drogreden. ALS zo’n iemand opstaat, ja. Maar dat deed hij niet! Neen, hij lag immers op de grond met de hond te worstelen. En dat ook nog eens op een redelijke afstand van de agenten. Agenten zijn mensen die er hun beroep van hebben gemaakt om criminaliteit te bestrijden. Mensen die kundiger zijn en meer ervaring hebben op dit vlak dan u en ik. Voor deze mensen gelden hogere zorgvuldigheidseisen, van hen wordt meer inzicht en voorzichtigheid verwacht. En als deze zorgvuldigheidseisen worden geschonden, dan is het logische gevolg de gedragingen als onrechtmatig aan te duiden. En wie onrechtmatig handelt, moet worden gestraft. Ook politieagenten. Om in hondentermen te blijven: dit verhaal zal nog wel een staartje krijgen.
U hoeft geen strafrechtjurist te zijn om aan te voelen dat de politieagenten in deze situatie niet goed (onrechtmatig) hebben gehandeld. U begrijpt dat de politie niet te snel moet overgaan tot het gebruik van een vuurwapen. Wij, strafrechtjuristen, zeggen dan dat er een soort ultimum remedium-gedachte bestaat. Vuurwapengebruik slechts in die bepaalde situaties waarin anders handelen niet gevergd kan worden. Vuurwapengebruik als laatste redmiddel. Vuurwapengebruik als uitzondering.
En gegeven de onomkeerbaarheid van de kogel, zal het u niet verbazen dat de wet deze ultimum remedium-gedachte heeft verankerd en het vuurwapengebruik heeft begrensd. Het vuurwapengebruik is slechts geoorloofd indien de verdachte zich tracht te onttrekken aan zijn aanhouding en er sprake is van een verdenking van een ernstig misdrijf (lees: 4 jaar gevangenisstraf of meer). Eveneens (cumulatief vereiste!) moet het misdrijf een ernstige aantasting vormen van de lichamelijke integriteit (bv. gewapende overval) dan wel de persoonlijke levenssfeer (bv. inbraak bewoonde woning). Ook bij zelfverdediging (in de juridische wereld: noodweer) is het vuurwapengebruik geoorloofd.
Wanneer de politie zijn vuurwapen gebruikt, altijd gelden de beginselen van subisidiariteit en proportionaliteit. Het komt erop neer dat de politie met het lichtste middel dient in te grijpen (subsidiariteit) en dat het gebruik van dit middel in verhouding dient te staan tot het doel (proportionaliteit). Bij het eerste kunt u zich vast wel wat voorstellen. Heb je de keuze tussen pepperspray en een vuurwapen, dan moet je voor het lichtere middel, de pepperspray, kiezen. Het beginsel van proportionaliteit is daarentegen wellicht iets lastiger. Ik noem het schoolvoorbeeld ter verduidelijking: een oude man met jicht, zittend in zijn tuinstoel, uitkijkend over zijn boomgaard, mag niet zijn jachtgeweer aanwenden als pubers een appel uit de boom stelen. Het leven van die pubers weegt nu eenmaal zwaarder dan het verlies van die ene appel.
Subsidiariteit en proportionaliteit dus. Nogmaals even terug naar de bewuste middag. De man ligt op de grond. Hij is druk bezig om de hond te steken. Hij heeft weliswaar een mes, maar is niet bewapend met een vuurwapen. De afstand tot de politieagenten is 5 tot 10 meter. Konden ze niet op de man aflopen? Kon er geen pepperspray worden gebruikt? Dat moet van een meter afstand. Konden er niet enkele stappen gezet worden om vervolgens de pepperspray te gebruiken? Wellicht. Maar stel dat dit allemaal niet kon. Stel dat het vuurwapengebruik echt als laatste redmiddel gezien dient te worden, iets wat ik toch bestrijd. Maar stel. Waarom is er niet in zijn been geschoten? Of althans in een niet-vitaal gedeelte? En wat te denken van de proportionaliteit. Is het leven van de man niet meer waard dan het leven van de politiehond? Ik meen dat de politie te ver is gegaan en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld.
De politiebond denkt daar anders over. De man ‘schijnt buitengewoon agressief geweest te zijn en als zo’n iemand gaat opstaan met een mes, of aan het zwaaien is met zo’n mes, kan het ongelooflijk gevaar opleveren’, aldus een woordvoerder van de politiebond. Een prachtige drogreden. ALS zo’n iemand opstaat, ja. Maar dat deed hij niet! Neen, hij lag immers op de grond met de hond te worstelen. En dat ook nog eens op een redelijke afstand van de agenten. Agenten zijn mensen die er hun beroep van hebben gemaakt om criminaliteit te bestrijden. Mensen die kundiger zijn en meer ervaring hebben op dit vlak dan u en ik. Voor deze mensen gelden hogere zorgvuldigheidseisen, van hen wordt meer inzicht en voorzichtigheid verwacht. En als deze zorgvuldigheidseisen worden geschonden, dan is het logische gevolg de gedragingen als onrechtmatig aan te duiden. En wie onrechtmatig handelt, moet worden gestraft. Ook politieagenten. Om in hondentermen te blijven: dit verhaal zal nog wel een staartje krijgen.
De afgelopen dagen prijkten op de achterkant van de krant paginavullende advertenties van
mijn grote vriendin Marlies Dekkers. De eerste keer betrof het celebraties welke allemaal met
de herkenbare bandjes op de foto wilden gaan. De tweede keer betrof het Marlies zelf.
Ze zat naast verschillende strelende uitspraken van ongetwijfeld onafhankelijke glossy’s.
Ik moet zeggen, bij de mooie celebraties op de advertentie staan de ‘concepten’ van Marlies niet onaardig. Maar vanmiddag werd ik toch keihard de realiteit ingezogen. Ik kwam ze tegen op straat. Een grote horde typische Marlies adepten. Ze konden zo met z’n allen vooraan staan bij het volgende concert van Marco Borsato. Met een licht accent kwamen er vooral veel woorden uit de onopgemaakte monden, terwijl de lomige ogen de omgeving afspeurden. Ze naderen nu de 40 en er moet toch wel een vader voor hun toekomstige kinderen gevonden worden. Maar! Gelukkig hebben ze hun nieuwste setje aan met de verleidelijke en vooral zichtbare rode bandjes. ‘Want vandaag is rood, de kleur van de lippen van mijn nieuwe partner!’
Een touwtje boven het shirt, houd me tegen! Ala, een stukje kant van een string of bh wat per ongeluk net te zien is, ja. Maar een of twee van die mutsen touwtjes? Hoe werkt dat in het hoofd van de Marliesvrouw? Vindt ze dat echt sexy? Hoopt ze dat het een hypnotiserende werking heeft op mannen? Of wil ze vooral laten zien dat ze belachelijk veel geld voor haar onderbroekje betaalt? Vertel het me!!!
Ze zit hier nu naast me op de bank die we samen kochten. Er is niets cyber aan de vrouw
aan wie ik mijn hart verloor. En hoewel ik me realiseer dat de columns op deze website
over het algemeen de op komst zijnde wereldvrede, rechtmatigheid en ambitie beschrijven,
probeer ik een lans te breken voor de internetdatende gelukszoeker. Gelukkig ben ik de
pretentie voorbij.
We zijn nu een half jaar samen. Bij deze schreeuw ik haar aanwezigheid in mijn leven op deze website van de daken. Juist omdat ik nog dezelfde armoedige nihilist ben die ik was t oen ik studeerde, dit is een ode aan haar. Dit is het cadeau dat ik nog steeds voor haar wil kopen. Zie dit stuk maar als een tijdelijk substituut.
Op een willekeurige vrijdagavond in maart stond ze zomaar ineens in mijn kamer. Ik had haar tot op dat moment nog nooit gezien. Ze was kwetsbaar, mooi. Licht en gevoelig. Voorafgaand aan dit moment verliep ons contact wonderlijk. De twee kinderen die in haar profiel stonden vermeld woonden in een luchtkasteel ver van hier. Eigenlijk is ze nooit meer weggegaan. Papa?
Op aanraden van een vriendin stond mijn profiel op de digitale vleesmarkt. Ik was benieuwd naar de freakshow van het online daten. Wat dat betreft werd ik niet teleurgesteld. Flarden van mannenhaat trokken aan me voorbij, 40-jarige wanhoop kwam wel heel dichtbij. Ik was op zoek naar dynamiek, maar leek te investeren in verdriet. Is het dan echt zo triest?
Nou nee. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat het hebben van digitale vrienden bijdraagt aan de sociale ontwikkeling van jongeren. In dat licht heeft men door online te daten alleen maar te winnen. Ook ben je niet verplicht aan te geven op zoek te zijn naar je mannelijke of vrouwelijke wederhelft. Gewoon eens kijken, doe maar lief het kan geen kwaad.
En hoewel ze me overtuigd heeft van het feit dat je zinnen met en mag beginnen was ik eigenlijk alleen op zoek naar wat inspiratie, voor liedje of gedicht. Nu zet ze koffie, terwijl ze zich zachtjes naast me vleit. Ik dacht nooit aan later.
Mijn advies? Pas op voor de vleesetende spinnen die je op ijskonijnachtige wijze op proberen te eten. En wat de rest betreft? Zie maar. Lachen jongen!
Het onzichtbare. Het laat merken dat het ook onschendbaar is. Hetgeen dat wordt verklaard is
waar men in gelooft. Het handelt met je in het onderbewuste. Tijd heeft voor ieder individu
een andere betekenis. De een zal het associëren met iets vanzelfsprekends. De ander zal het
associëren met een tikkende tijdbom. Tijd heeft een ongekende kracht. Het is niet slim of
sterk, maar het kan je op de knieën doen zitten en smeken om genade.
Zie uzelf nu eens in een ‘machtig mooi’ moment in uw leven? Verplaats je terug in het dat moment. Voeg er eens aan toe dat u op de klok kijkt.
Zie uzelf nu eens in een ziekenhuis. Afdeling polikliniek. Uw dochtertje ondergaat een operatie van zes uur. Voeg er eens aan toe dat u op de klok kijkt.
Herken dat wanneer u de tijd nodig heeft het schaars wordt. Geniet van de momenten die de tijd aan u geeft. Mooie momenten zijn schaars. De klok is een officiële boodschapper van de tijd voor ons. We moeten het respecteren in goede en slechte tijden. We mogen de situatie niet bekritiseren en verhaal halen boven.
Wie is eerder de kip of het ei? Wat is eerder de tijd of een “schepper”?
De tijd stopt niet even. Niet voor u en niet voor mij. Probeer niet sneller dan tijd te gaan. Probeer niet achter te blijven.
Ik zie de tijd als een object. Een virtueel object waarmee ik vrienden moet zijn. Als hij en ik ruzie hebben dan wint hij altijd. Als we het leuk hebben komt het altijd dankzij mijn goede vriend.
Neem de tijd. Geduld is immers uw beste vriend.
“Geduld is bitter, maar haar vrucht smaakt zoet.”
Als je voor een dubbeltje geboren wordt, word je nooit een kwartje. Een waarheid als een koe.
Toch zijn er gelukkig wel mensen die het juk van zich af kunnen schudden.
Anders zou een beroep als de mijne wel heel nutteloos aan kunnen voelen.
Ik krijg regelmatig jongeren op gesprek, die vinden dat de hele wereld tegen hen is, maar naar zichzelf kijken blijft dan een lastige opgave. Al wordt dat ze vaak ook moeilijk gemaakt en zeker niet meegegeven van huis uit als ze opgroeien in een gezin waar papa en mama thuis op de bank zitten, hun opleiding niet afgemaakt hebben en in deze tijden van crisis nu moeilijk aan werk kunnen komen of erger nog al jaren genoodzaakt zijn om van de bijstand te leven.
Ik beweer niet dat dit voor iedereen een keuze is en dat er ook genoeg trieste gevallen tussenzitten die zonder de bijstand hun broek ook echt niet op kunnen houden. Maar ik heb ook met eigen ogen gezien dat er mensen zijn die niet willen werken, maar wel de hele tijd kettingrokend, met een biertje voor de televisie, een groot LCD-scherm, zitten. Hoe zal het toch komen dat deze gezinnen niet rond kunnen komen…? Laat zoonlief dan maar snel gaan werken, zodat er wat extra geld op de plank komt. Ja natuurlijk en net zo eindigen als pa en ma..?
Dit is niet iets wat je zo rechtstreeks brengt naar de jongere, want de jongere zal altijd loyaal blijven naar zijn ouders, hoe hard hij bijvoorbeeld ook geslagen wordt, misbruikt is of wellicht nog erger. Het vergt nog wel wat overredingskracht om de jongere te blijven motiveren en uiteindelijk dan toch te overtuigen dat nu werken echt niet heilig is. Ervoor zorgen dat je nu een startkwalificatie (een klein lesje leerplicht: dat is minimaal een MBO 2, HAVO/VWO diploma) behaalt, biedt je een grotere kans op de arbeidsmarkt. Meer en vaak betere perspectieven voor later.
Maar mijn ouders dan, vraagt de jongere, zij willen heel graag dat ik nu ga werken. Ik ben immers 18 en ik ben niet meer leerplichtig. Het eeuwige dilemma. Ik houd ze dan de spiegel voor: wat wil je bereiken? Eigen baas worden is een veel gehoorde kreet. Voor velen is dat niet weggelegd zonder een (gedegen) opleiding. Gelukkig is er voor de jongeren die graag willen werken, al dan niet opgelegd door de thuissituatie, ook het BBL-traject. Vier dagen werken en 1 dag naar school. Dus geld verdienen én die zuur verdiende startkwalificatie alsnog binnenslepen. Daarvoor zijn er natuurlijk wel bedrijven nodig die de tijd en de moeite willen nemen om deze jongeren te begeleiden en in dienst te nemen. Ook dat is in deze tijd niet makkelijk, maar wel essentieel om de jongere niet op de bank te laten belanden net zoals pa en ma.
Hoe kunnen we die vicieuze cirkel doorbreken? Dat blijft een moeilijke vraag om een, twee, drie te beantwoorden. Toch probeert ieder hier zijn/haar steentje aan bij te dragen, maar helaas zien we bij ons inmiddels al de derde generatie die met precies dezelfde problemen kampt als pa en ma, opa en oma… Is het vechten tegen de bierkaai of gloort er hoop aan de horizon? Ook al is er maar weer een gezin dat baat heeft bij hulpverlening en waarvan de jongere een startkwalificatie behaalt, dan is er weer eentje ‘gered’ en daarvan kan ik genieten. De intense blijheid van een jongere die na jaren knokken toch dat papiertje binnen heeft en dan op naar het ‘echte’ leven, waar hij waarschijnlijk nog meerdere malen tegen een muur van weerstand aan zal lopen. Maar misschien heeft hij nu wel net de tools meegekregen door enerzijds de opleiding en anderzijds de eventuele hulpverlening, zodat hij niet in dezelfde valkuil stapt als zijn ouders en zijn grootouders… IJdele hoop? Time will tell…
Gister kocht ik een ijsje bij een dure (Sorry, ik blijf een Hollander.) doch lekkere ijsboer.
In de rij voor mij staat een meisje. Misschien wat jonger dan ik, platina blonde haren, haar
rokje iets te kort. (Lees: veel te kort.) In allebei haar oren hingen 2 kroonluchters.
Ze keek alsof ze haar leven niet zo leuk vond, en niks kreeg wat haar hartje begeerde,
maar dan erger. Ik denk: 'Aardbei.' En dat klopte. Alsof dit alles nog niet genoeg was, nam
ze, in plaats van een hoorntje, een plastic bakje. Lekker degelijk.
Terwijl ik van mijn ijs geniet, kijk ik naar de voorbijgaande horde mensen. Aan de overkant staat een meisje, misschien even oud als ik. Haar lange, natuurlijke, blonde haren dansen. Ze draagt normale, casual kledij. Ze lacht. Doet normaal. Ze is slim. Dat zie ik. Zo doet ze. Ze heeft karakter. Kleur. Ze bestelt een kroket. Ik hoopte op een kroket met mosterd, gewoon, zoals het hoort. Ze bestelt een kroket, mèt mosterd.
Ik zit aan de bar. Tegen over mij zitten twee meiden. Ik schat ze ouder. Ze drinken zoete witte wijn. Zo zien ze er ook uit.
Zou het echt zo zijn dat de mensen die echt karakter hebben juist mosterd eten bij hun kroket? Of vinden ze dat gewoon lekker? En de mensen die ordinair, dommig over komen dan? Hebben die dan geen karakter? Of kennen zij misschien alleen maar aardbeien smaak?
Ik vraag het me af. En oja, ik eet geen mosterd bij mijn kroket en zoete witte wijn vind ik gewoon niet lekker.
Mijn bloed heeft gevloeid in de straten van Adana. Dat was in mijn jeugd. Hoe vaak heb ik
gevoetbald op afgetrapte veldjes en in verrotte straten? Straten die werden geflankeerd door
gescheurde muren van slecht gebouwde huizen, waarin gezinnen leefden die armoede beleefden
met volle toewijding en die allesbehalve verscheurd waren. Integendeel, zij waren gelukkig.
Met elkaar. Zij hadden weinig nodig, want zij waren in staat te voelen. Intens en oprecht
voelen. Eten kan morgen ook wel. Van één dag niet eten, ga je niet dood. Maar wanneer je
één dag niet voelt, weet je zeker dat je niet leeft.
Columns week 2 sluiten
Daglioglu Mahallesi, zo heet mijn fundament. Het is geen getto in de historische, maar in de huidige zin van het woord. Een aparte woonwijk waar voornamelijk één etnische minderheid woont. Alevieten. Wanneer ik schrijf over het vloeien van mijn bloed, doel ik niet op het letterlijk vloeien ervan. Dat was namelijk vaak het gevolg van een strijd die mijn tranen en ik verloren van de zwaartekracht tijdens een potje ouderwets straatvoetbal. Het bloed werd gretig geabsorbeerd door de droge grond van de allerminst romantische industriestad. Dat vloeien is weinig indrukwekkend. Een schaafwond doet immers niet veel kwaad. Het figuurlijke, meer aangrijpende bloedvergieten, was tijdens de vele verloren duels des levens. Die keiharde, kapotte straten hebben mijn ziel gevormd. Zo veel als ik die stad haat, zo veel houd ik van haar.
De jeugd van mijn wijk diende altijd in de pas lopen. Op dictatoriale wijze werd ik gewezen op mijn plicht als zoon van de gemeenschap. Winnen, dat moest ik. Niet af en toe, maar altijd. Wanneer ik na een ruzie met de iets oudere jongens uit de andere wijk thuis kwam met tranen in mijn ogen, kreeg ik een pak slaag van mijn oom ter opvoeding. Je komt niet huilend, en zéker niet verslagen thuis. Nooit! Ik moest voldoen aan verwachtingen en mij altijd binnen de ijzeren grenzen van de familiewaarden gedragen. Niets wat ik zei of schreef, mocht de familie raken in negatieve zin. Ik had weinig individuele vrijheid. Sterker nog, ik had nog nooit over vrijheid gesproken of gedacht. Maar in mijn onbewuste was ik ernaar op zoek en was ik ervan overtuigd dat ik die zou vinden. Falen is geen optie, zoals mij was geleerd.
Een paar jaar geleden zocht een aantal van mijn goede vrienden van vroeger mij op, om te vertellen dat mijn broer al vier weken in de isoleercel zat. Het leek hen goed dat zijn grote broer bij mijn jongere broer op bezoek zou gaan. Ik had echter geen behoefte om hem op te zoeken en ik wist zeker dat niet hij die jongens naar mij had gestuurd. Hij weet hoe ik denk. Hij heeft verloren. Ik sta niet achter de manier waarop hij zich in zijn levensonderhoud voorzag, maar ik vind dat wanneer je ergens voor kiest, moet je daar goed in worden. Hij weet dat ik dat vind. Je doet niet mee aan een wedstrijd om tweede te worden. Hij was op dat moment voor mij de domme lul die zich heeft laten pakken. Eigen schuld. Had hij maar niet moeten verliezen. Ik was ervan overtuigd dat hij dat zelf ook zo zag.
Na mijn jeugd in Adana heb ik in Nederland veel gezien, geleerd en gelezen. Ik begon het systeem van de Hollandse vrijheidsdenkers te begrijpen en ik werd gegrepen door de grote idee van vrijheid. Ik ben gefascineerd en besmet geworden door grote Nederlandse waarden als het gelijkheidsbeginsel, de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. Door mijn ervaringen in Adana heb ik mij, volgens mijn therapeut, vastgeklampt aan de vrijheden die Nederland mij heeft geschonken. Volgens haar was ik verslaafd geraakt. Totale overgave. Ik heb de ideeën van grote westerse denkers geabsorbeerd. Hun handtekening staat inmiddels op mijn ziel gekerfd.
Dat het geen optie was dat ik mijn broer zou bezoeken, stond vast. Toch voelde ik de behoefte om hem een kaart te sturen. Op de kaart had ik geschreven: “Mijn broeder, zij zijn slechts in staat jouw fysieke vrijheid te ontnemen. Echte vrijheid zit in jouw hoofd. Wanneer jij sterk genoeg bent, kan niemand daar bij. Wees sterk mijn jongen!” Op de kaart stond een afbeelding van een grote, zwarte zwaan. Hij was bezig met het verlaten van het schijnbaar heldere, turquoise gekleurde water, door met enorme kracht zijn vleugels op en neer te slaan. Vijftien maanden later, na zijn vrijlating, liet hij mij weten dat mijn impliciete boodschap door hem was begrepen.
Deze beschouwing van vrijheid is mij, zoals ik hierboven al schreef, geschonken door mijn moederland, Nederland. Ik beleid deze opvatting niet alleen, maar exploiteer deze ook. Langs de weg van geestelijke vrijheid kan men de vrijheid van geest bereiken. Als zelfbenoemd artiest, hecht ik vooral waarde aan de vrijheid van meningsuiting. Mede dankzij die vrijheid ben losgekomen van het strakke regiem van ‘de gemeenschap’. Ik sta volledig achter het standpunt van de semi-intellectuele BN’ers, die op de televisie onbeschaamd en ongenuanceerd schreeuwen dat alles gezegd moet kunnen worden. Alles! Zeker door kunstenaars. Vrijheid van meningsuiting is volgens hen een van de belangrijkste waarden waar wij in Nederland lang en hard voor gestreden hebben. Dat vind ik dus ook. In kunstvorm mag alles gezegd en schreven worden. Wanneer iemand daar aanstoot aan neemt, is dat zijn eigen probleem.
Volgende week ga ik uitvinden hoever ik kan gaan met de krachtige wind van de vrijheid van meningsuiting in mijn rug. Volgende week zal ik ervaren of er, zoals de semi-intellectuelen ons doen geloven, daadwerkelijk geen grenzen zijn aan meningsuiting in kunstvorm. Volgende week…
Columns week 1
(15-08-2010 t/m 21-08-2010)
Mensen zeggen wel eens dat je gaat lijken op de personen met wie je omgaat. Als strafrechtjurist
heb je dan, eufemistisch gezegd, niet een gunstig toekomstperspectief. Het gros – veelal
bestaande uit: officieren van justitie, advocaten en rechters – heeft bijna dagelijks te maken
met ‘criminelen’, of zoals wij ze dan noemen ‘mensen die verdacht worden van strafbare feiten’.
En de gedachte is dan dat ‘de strafrechtjurist’ op den duur, het ook niet meer zo nauw zal
nemen met de regeltjes.
‘Dat zal toch wel wat meevallen’, hoor ik u denken. En eerlijk gezegd, denk ik ook wel dat het
meevalt. Maar af en toe hoor je eens van een jurist die de perken te buiten gaat. Die uit zijn
saaie, veel te zware leventje stapt en zich begeeft in die wereld waar hij zich beroepshalve
mee bezig dient te houden. Soms is het sensatie. Kranten moeten ook verkocht worden in deze
tijd waarin het volk het nieuws in hapklare brokken wenst te consumeren. En eerlijk is eerlijk,
een kop als ‘Topadvocaat lid maffia’ verkoopt. Maar soms is het meer dan louter sensatie.
Soms is het op waarheid gebaseerd. In 2006 heeft een ieder kennis kunnen nemen van de ‘rammende
rechter’. Ooit raadsheer bij het gerechtshof Leeuwarden, nu een man die veroordeeld is voor
mishandeling van zijn toenmalige vriendin. Maar bij deze feiten is het niet gebleven. Later
zouden namelijk ook nog veroordelingen volgen voor oplichting en een poging tot afdreiging.
En nu, recent, is een 51-jarige Rotterdamse advocaat in hoger beroep veroordeeld voor het in bezit hebben van een aantal kinderpornografische afbeeldingen en filmfragmenten. En het arrest lezende, ging hij daarin redelijk gestructureerd te werk. Hij heeft ‘regelmatig en intensief’ kinderporno gedownload en een en ander ‘op verschillende locaties opgeslagen’. Externe harde schijven, geheime mappen, dvd’s: je gaat je er toch een beeld bij vormen. En juist van dit laatste ben ik geschrokken. Een keer te hard rijden en een bekeuring krijgen, dat kan. Een onhandig grapje op twitter plaatsen, ach, ook dat kan nog wel. En jezelf een keertje verdedigen door het geven van een rake klap, ook dat valt als strafrechtjurist nog wel te billijken – mits natuurlijk binnen de grenzen van noodweer. Maar het structureel downloaden en bekijken van kinderporno, dat kan niet. Zeker niet als je, na de straf, doodleuk je functie als advocaat verder kunt blijven uitoefenen. Thans is het zo dat veroordeelde advocaten niet per definitie uit hun ambt worden gezet, meer in het jargon: van het tableau worden geschrapt. Het is wat vaag. De beslissing is toebedeeld aan de Raad van Toezicht die de plaatselijke Orde van Advocaten van het desbetreffende arrondissement bestuurt. Landelijke richtlijnen bestaan er nauwelijks.
Zonder verder op deze – voor deze column veel te juridische – procedure in te gaan, kan er toch geen meningsverschil over de uitkomst bestaan. Een veroordeling voor een zedendelict, door een onafhankelijke rechter, moet als gevolg hebben dat je wordt uitgesloten van één van de mooiste beroepen. Toga aan de wilgen. Wetboeken op marktplaats. Weg ermee. Niet dat ik mensen geen tweede kans gun, dat doe ik zeker, en dat zal ik vast en zeker de komende weken met u delen. Maar ik vraag mij toch af welke waarden er dan aan begrippen als ‘geloofwaardigheid’ en ‘betrouwbaarheid’ gehecht dienen te worden. Daarnaast vraag ik me af of potentiële cliënten niet benadeeld zullen worden. Rechters kunnen dan wel onafhankelijk zijn, maar het zijn en blijven mensen. Mensen die voorkeuren hebben. En hoe goed het juridische betoog ook is, in het achterhoofd van de rechter zal ergens de veroordeling voor kinderporno meespelen. Is dat een ad hominem argument. Ja dat is het. Mag ik zoiets suggestiefs zeggen? Wel als ik het zo benoem.
Geschrokken kijkt Tom op vanuit zijn Porsche cabrio. Zijn imposante, anders altijd zo relaxte, lichaam raakt waarschijnlijk voor het eerst in zijn leven verstijfd in het Oger maatpak waarin het zit gegoten. Door zijn Ray-Ban zonnebril ziet Tom de twee agenten voor zicht staan.
Gisteren, nee eergisteren, o nee de dag ervoor. Ach, het maakt niet zoveel uit. Iedere dag zie ik weer zoveel stommiteiten. Fouten zijn menselijk, jaja… Dat riedeltje ken ik nu wel een keer. Waarom wordt er niet gewoon gezegd waar het op staat? Dingen gebeuren niet zomaar! Er is iemand verantwoordelijk voor en ik wil weten wie. Vervolgens wil ik ook actie zien. Straf, ontslag of gedwongen aftreden, er moet IETS gebeuren!
Tot vandaag ontwierp Tom vanuit zijn hippe atelier aan de Keizergracht de meest fantastische gebouwen. Ze zijn vernieuwend, uitdagend en worden wereldwijd bewonderd. Zijn laatste werk ‘De Zwaan’ is een enerverend gebouw dat zich als een zwanenhals over de branding van de Noordzee buigt en een ongelooflijk uitzicht biedt voor de 500 mensen die hier wonen. Groepen Chinezen uit de hele wereld hebben zijn gebouw aan het rondje Delft, Amsterdam en Volendam toegevoegd. Ze rijden er in hun knusse touringcars uren voor om, zodat ze even als lachende stipjes voor het gebouw kunnen poseren.
Schuld en straf. Een onafscheidelijke twee-eenheid. Woensdag zag ik in NRCnext Chinezen schaamteparades houden. Een zware crimineel, die voor wel 6.800 euro staal had gestolen, werd geketend tentoongesteld aan 5.000 uit de fabrieken opgetrommelde mede Chinezen. Schaamte en vernedering dat was zijn lot. Natuurlijk, dit soort dingen bij ons niet! Maar Nout Wellink moet zeker aftreden, de positie van de bondscoach is onhoudbaar geworden en Klaas Jan van de repro kan ook beter gaan uitkijken naar ander werk nadat hij voor 2.250 euro aan drukwerk heeft verpest. Hun carrière en ego lopen een deukje op en ze worden wat onzeker, maar verder valt het natuurlijk wel mee.
Newsflash!
“Gisteren is het futuristische gebouw ‘De Zwaan’ van architect Tom Bekker ingestort.
Zoals nu kan worden ingeschat zijn er 165 gewonden en 18 doden, maar de brandweer haalt nog
steeds mensen uit de ijskoude Noordzee onder de brokstukken vandaan.”
Wie is de winnaar? In het bedrijfsleven komen de gevolgen voor onze liefde voor schuld en straf goed boven drijven. Na een fout wordt iemand voor veel geld ontslagen. Er zal een lange sollicitatieprocedure moet worden opgestart en de ‘gelukkige’ moet worden ingewerkt. Deze zal vervolgens ongetwijfeld een vergelijkbare of andere fout maken. Het is als een stad bouwen en zien dat een huis scheef staat. We slopen dan maar de hele stad en gaan weer met frisse moed een nieuwe stad bouwen. Waarom zien we een fout niet als een goede investering in een persoon waarvan we gebruik kunnen maken?
Na enkele maanden blijkt dat er bij het innovatieve ontwerp van ‘De Zwaan’ enkele grove fouten zijn gemaakt. Dankzij enkele kinderlijke aannames in de berekening zijn uiteindelijk 21 mensen overleden en 186 mensen gewond geraakt. De publieke opinie is moordend. Hoe kan zoiets gebeuren, wie is deze Tom Bekker en hoe had hij zo stom kunnen zijn? Een lieve en zeer welwillende advocaat is niet te beroerd om namens de gedupeerden op te treden. Bij Pauw & Witteman legt hij haarfijn uit welke straf Tom B. te wachten staat. Want, dat hij schuldig is en daarvoor gestraft moet worden staat buiten kijf!
Zoals cijfers in de VS aantonen helpt zwaarder straffen niet tegen criminaliteit. Denken we dan wel dat dit gaat helpen tegen het onbedoeld en ongewild fouten maken? Maakt het ons juist niet krampachtig en bang om innovatieve ideeën te ontwikkelen? “Stel je voor dat mijn nieuwe manier niet werkt. Dan leg ik mijn kop op het hakblok. Dikke vinger!” Lekker scenario voor een land dat zich als kenniseconomie ziet en innovatie als enig middel heeft om zich te blijven onderscheiden in de huidige wereldmarkt.
O ja, stel je nog even voor dat Tom Bekker een van je allerbeste vrienden is.
Er zat een Duitser in de zandbak. En hoewel deze ene zin al haar kracht verliest in deze
hedendaagse context, grijpt het me aan vat het mijn afgelopen 3 weken haarfijn samen. We
schrijven 2010, 65 jaar na dato van een hele slechte toegift die 5 jaar te lang heeft geduurd.
We staan op een camping in de provincie van Joris van Casteren. Daar staan ze, aan de rand van
de bedding, huizen. Hier huist lelijk stad, dit is de meest kunstmatige provincie die we
kennen. Misschien dat de oorlogsliteratuur me te pakken heeft. Ik verdwaal in mijn boeken en
sigaren, ik wou alleen even weg van alle actualiteit. Misschien dat het verdriet van Nederland,
de gapende wond die meestal slaapt, weer opengereten wordt door Wilders. Hoor je dat ook?
Een fluisterende Phil Collins; there is something in the air. Dit keer in mij, vast ook in
Wilders. Gek kapsel wel.
Naast de campingvoorziening, waar ik 5 minuten voor het fatale moment de druk op mijn blaas wist te ontlasten zat hij. Een kleine Duitse jongen met hondenogen groter dan eierballen. Ik liep er langs en werd overweldigd door een gevoel van eenzaamheid, in een moment van on te duiden waanzin had hij zijn eenzaamheid en daarmee zijn verdriet in me gestopt. 10 minuten geleden was er nog niets met me aan de hand. Nu voel ik me walgelijk. Er gaan allerlei gedachten door me heen, maar het medelijden weegt het zwaarst, het maakt me stil.
Trouwens een vriend van me liet zien hoe je die Duitse meneer, die altijd zo schreeuwde met die snor, na kunt doen door het cellofaantje van je pakje sigaretten af te halen en het dan tegen je mond te houden wanneer je praat. Zou die meneer met die snor ook een cellofaantje hebben gehad?
Wat weet hij er nou van. Hij is zeven. Alleen. Die jongen weet van niks. Ik heb hem vanmiddag al gezien toen hij probeerde contact te maken met een aantal voetballende Nederlandse jongens. Op 20 meter van het speelveld bleef hij staan. Soms kwam de bal op het moment suprème te liggen, ideaal om op de slof te nemen. De Nederlandse jongens lieten dit niet na. De Duitse jongen immiteerde dit in de lucht. De verkramptheid droop eraf, het verdriet en de onkunde. Mag ik meedoen?
In het Pauperparadijs las ik dat veel mannen die het Duitse leger gediend hebben in de Tweede Wereldoorlog na oorlogstijd op vakantie gingen om hen vrouwen te laten zien waar ze nou precies gezeten hadden. Daar schrok ik van. Respect, wat zeg je dan op zon moment? En, hier zetten we ze zo op de trein. Daar werd ik verdrietig van.
Het was een lange vakantie met veel drank en boeken. Ik heb geen tijd gehad om al mijn gedachten op een spreekwoordelijk rijtje te zetten. Het zou ook onzinnig zijn geweest, want de verbanden zijn niet te leggen. Al concluderend. Soms voel ik me de Duitse jongen, alleen en eenzaam. Soms voel ik me die Nederlandse jongens, die niet weten hoe te reageren. Daarentegen voel ik me nooit die meneer met die snor of met dat gekke kapsel. Van mij man iedereen meedoen. Trouwens mijn vader heeft ook een snor. Dit stigma heeft haar kracht verloren. Hoopvol.
Het is prachtig, ze ziet eruit als een prinses vanavond. Ze vraagt de ober een zoete witte.
Ik houd het op een rode. Ze kijkt me zwoel in mijn ogen aan. Terwijl ik mijn best doe om
gebruik te maken van mijn zwemdiploma’s en niet te verdrinken in haar ogen, zegt ze zachtjes
dat dit haar mooiste avond ooit is. Ik voel mij goed, ik voel me sterk want ik kan het aan.
Ik kan nu alles aan. Laat het maar komen want dit is mijn dame en ik ben haar man. Iedereen
mag het weten. Ik wil opstaan en zeggen dat wij een stel zijn dat nooit meer uit elkaar zou
gaan. Ze wilde zo graag dat we het maar niet te lang hebben gerekt. Ik vertelde haar dat
ik er voor haar zou zijn in goede tijden, maar ook wanneer we het moeilijk gaan krijgen. Dat
ik van haar houd zoals mijn neefje van eten houdt. Ze lacht en geeft me een kus op mijn wang
terwijl ik haar in haar nek kus. Het zijn gevoelens het is meer dan dat zelfs, het is liefde.
Vergelijkbaar met een gebouw van diamant. Iets dat niet kapot kan door geen bijl of kogel.
Dit alles hebben wij samen opgebouwd. We zijn als Bonnie en Clyde.
Ik kom in het huis na een dag hard gewerkt te hebben. Mijn spullen ruim ik op, alsof ik die verstop en niet meer weer hoef te vinden. Vervolgens vind ik mijn weg naar de woonkamer nadat ik drank uit de koelkast gepakt heb. Ik zet muziek op en zorg voor een comfortabele houding op de bank. Ik neem een kegelvormig iets in mijn hand en steek dit aan. De geur ervan is zeer sterk, maar het is lekker. Het werkt zeer kalmerend. In mijn andere hand een drankje. Na het ene geroken te hebben en het andere gedronken, leg ik ze nu voorzichtig op de salontafel en verander ik van positie. Nu lig ik op dezelfde bank. Ik word langzaam licht in mijn hoofd. Het lijkt verdoofd door andere krachten. Ik voel steeds minder en ik zie wit. Ik voel van binnenuit iets overnemen. Dit is niet goed. Het overnemende gevoel wordt groter in rap tempo. Het wordt nu steeds meer intens. Ik doe mijn best maar kan geen uitleg krijgen van mijn bloedeigen lichaam. Het voelt lekker. Het voelt goed. Alsof ik heel relaxed even niet mijzelf hoef te zijn. Iemand die geen verleden heeft. Hij die alles opnieuw mocht doen met alles wat hij nu weet. Alles gaat langzaam, soort slow motion. Alsof ik droom terwijl ik wakker ben. Waar ik ben, is onbekend. Waar ik ben, is bekend. Waarom ik hier ben, is bekend. Wanneer ik hier ben, is bekend. En helaas is wanneer ik hier niet meer ben ook bekend. Bleef ik hier maar voor altijd! Neem alles maar van mij af, neem mijn huis en auto en bovenop de kast mijn spaarpot. Laat mij alstublieft hier zijn voor altijd of laat mij wederkeren. Dan was ik haar niet kwijt. Mijn gedachte zwijgt. Alsof ik gevoelens hun eigen gang laat gaan terwijl ik ze tegenhoud naar mijn gevoel. Ze zijn sterker dan ik. Ik houd niets meer tegen. Ik ben weg. Alles gaat vanzelf en ik heb geen grip op mijn eigen emotie of geest. Mijn hart gaat ook zijn eigen gang. Hij laat merken dat er in het hart een schakel ontbreekt of kapot is en dit de hele zaak ontregelt. Mijn grote hart, dat niets geen waarde meer heeft door een stom stukje dat telkens weigert om weer “gewoon” mee te werken aan een reguliere hartklopping. Alsof hij iets wil zeggen zonder te kunnen praten, alsof hij mijn geest bezit en ons in een situatie weet te krijgen waar ik niet meer uit kan. Hij houdt geen regelmaat aan en bonst maar door. Tranen stromen langs mijn gezicht ik geef woorden aan mijn lippen terwijl mijn longen weigeren. Ik faal en geef toe aan mijn emotie.
Langzaam kom ik bij bewustzijn. Ik kijk op de klok en realiseer dat ik drie uren lang onder trance heb gezeten. Was ik high? Wauw wat voelde dit heerlijk. Mijn geheugen is voor even weer gewist, even gereset zodat ik mij kan focussen op de realiteiten. Ze komt niet meer. Wij zijn niet meer. Het ons komt nooit meer. Ik kijk op tafel en zie dat mijn geurkaars opgebrand is en het huis ruikt heerlijk naar vanille. Mijn cola is half opgedronken, mijn muziek staat aan op een volume dat heerlijk aanhoort. Deze cd heeft mijn ex-vriendin voor mij gebrand, we luisterden deze altijd samen, omdat de cd bestaat uit de beste slowjams op ons part. Het was altijd één grote vuurzee van romantiek.
De cd-speler doe ik uit en mijn beltoon gaat af, mijn beste maat belt. Vanavond moet ik er tegenaan we gaan uit in mijn vaste discotheek. Ik voel me heerlijk en heb zin om vanavond lekker te ouwehoeren met mijn vrienden.
Het is dinsdag, vanaf vandaag is de tijd aangebroken voor mijn wekelijkse column. Hoe is
Cem bij mij terecht gekomen zult u misschien denken. Ik kan me onze eerste ontmoeting nog
goed herinneren…
Het was bij Maarten (de columnist van de vrijdag) in Delft tijdens een door hem georganiseerd muziekspektakel. Ik sliep naast Cem op de grond, want het was logisch dat Cem het bed kreeg. Ik dacht bij de eerste ontmoeting wat is dat voor rare snoeshaan met zijn (slangenleren?) laarzen? Totdat ik met hem in gesprek kwam. Een fervente PVDA-aanhanger, welbespraakt, rechtenstudent en tot mijn grote verbazing sprak hij beter Nederlands dan menig ander landgenoot. Hoezo vooroordelen?
Vanaf het hierboven beschreven moment heb ik met Cem altijd bijzondere gesprekken gehad, we denken lang niet altijd hetzelfde maar we worden wel geprikkeld door elkaars (inspirerende) denkwijze. We hebben menig boompje opgezet over de liefde, Geert Wilders, politiek, sport, studie en gewoon over het leven in de breedste zin van het woord.
Zonder Cem was ik nooit zo gaan nadenken over andere culturen, andere manieren van opvoeding en ben ik er mede dankzij hem opener tegen aan gaan kijken. Deze zienswijze kan ik ook zeer goed gebruiken in mijn huidige baan als maatschappelijk werker leerplicht/RMC in Utrecht. Ik heb nu niet meer onmiddellijk mijn (voor)oordeel klaar als ik een persoon voor mijn neus krijg met verzuim. Ik ben nu veel meer benieuwd wat deze persoon beweegt en wat de reden achter dit verzuim is.
Kortom ik heb mijn bekrompen zienswijze ten opzichte van personen en culturen dankzij Cem (gelukkig) moeten bijstellen. Elke dag ben ik er weer blij om, mijn leven is rijker geworden met de invloed van andere culturen en denkwijzen. Om maar eens een gevleugelde uitspraak van mijn bijzondere vriend Cem naar voren te halen: Niets is wat het lijkt! Vooroordelen zijn hier een goed voorbeeld van en dat heb ik aan den lijve ondervonden.
Daarom heb ik er ook geen moment over getwijfeld toen Cem mij vroeg of ik een wekelijkse column wilde schrijven voor zijn website. Op weg naar zijn nieuwe show White Magic op 12 november 2010 zal hier elke dinsdag een column van mijn zijde verschijnen. Als u vragen of op- en aanmerkingen heeft schroom vooral niet om te reageren.
Op de klok naast mij staat nu een krankzinnige tijd. Eigenlijk zou ik al moeten slapen.
Of beter gezegd, over exact 4 uur moet ik een tentamen maken. Wanneer ik niet kan slapen
zet ik mijn muziek op, overigens veel te vaak beluisterde muziek, en probeer ik vermoeid te
raken van de steeds herhalende uithalen van een of andere onbekende Jazz zangeres. Daarna voel
ik me heel gevoelig, (Is dat iets vrouwelijks?) en ter compensatie van mijn gevoeligheid steek
ik dan óók nog, hoe sentimenteel, een sigaret op.
Nu begint het pas. Het gevoel, dat iedere keer weer oprijst als ik geniet. Een roes. De zielsverrukking die net echt lijkt. Althans, zo smaakt het. Wat maakt het nou uit dat ik over, onderhand 3 uur en 50 minuten, tentamens heb die eigenlijk best belangrijk zijn? Nihil. Zero. Geen moer. Ik kan namelijk alles aan. Zelfs mezelf. Ik weet heel goed dat ik mijzelf niet in de hand heb, maar dat voelt ergens heel erg goed. Want zelfs als ik mij onzeker dreig te voelen, overwint mijn zekere.
Het is ‘iets’. ‘Iets’ in de zin van, zien en dan pas geloven. Miraculeus komt er niet eens dicht bij. Je bent jezelf, maar je bent zó jezelf, dat je niet weet of jij het wel bent. Ieder gelukkig moment, terug kunnen halen. Alles is mooi. Zelfs de boom waar je je al jaren aan ergert als je de gordijnen opent.
Het gevoel dat je de hele wereld aankan, zonder handen. En dat, lieve mensen, dát heet geluk.
Mijn zoektocht. Wat doe ik hier? Waarom doe ik hier? En wat doe jij hier eigenlijk?
Mijn zoektocht naar antwoorden. Ik ben op zoek naar antwoorden, maar weet niet waar ik
moet zoeken. Sterker nog, ik ken de vragen niet eens waarop ik de antwoorden zoek.
Niets is wat het lijkt. ‘Alweer?’, hoor ik sommigen denken. Nee, nog steeds. Ik ben niet
een man die bekend staat als iemand die elke week een ander levensmotto claimt.
Voor mij zijn niet de vragen ‘Hoe kan dit?’ en ‘Hoe komt dat?’ van belang, maar vooral
de gedachte daarachter. ‘Waarom kan dit?’ en ‘Waarom komt dat?’ zijn voor mij de belangrijkste
vragen. Waarom ervaren wij soms vreemde, onverklaarbare prikkels in ons leven?
Prikkels, in de meest ruime zin van het woord. Wat is de achterliggende idee? Is er überhaupt
sprake van die grote idee? Een formule? Een plan? Of is het allemaal maar toeval?
En nog een vraag: is ‘de idee’ correct Nederlands? Zoek maar op…
Columns week 1 sluiten
Veel mensen staan te dicht op het schilderij. Ik ook. Maar veel mensen ook. Die mensen kijken naar lelijke vlekken die achteloos en met grove hand lijken te zijn geschilderd. Sommige kleuren zijn zo slecht op het doek gestreeld dat zelfs de vlekken protesteren door van het doek te lopen. Maar doe eens een stap terug. Pak die rust. Neem meer afstand tot het schilderij. Contempleer, beschouw, overpeins. Kijk naar jezelf, kijk om je heen en zie! Misschien vormen die vlekken die zijn geschilderde met grove hand, God mag weten met wiens hand, in combinatie met andere vlekken een afbeelding van iets moois. Misschien zijn ze minder ondoordacht op het doek gestreken dan het lijkt. Maar misschien is het een voorstelling van niks. Dat kan natuurlijk ook. En wat dan nog? Voor de gelukkigen, voor hen die kunnen zien, is de zoektocht op zichzelf de bevrediging.
Kijken doen velen, maar zien is slechts enkelen gegund. Ik wil zien!